Wanneer criminaliteit zich voordoet

HUISVREDEBREUK IN ONVERDEELD EIGENDOM

19 / mei

HUISVREDEBREUK IN ONVERDEELD EIGENDOM. WANNEER CRIMINALITEIT ZICH VOORDOET.

Helaas is het niet ongebruikelijk dat een advocatenkantoor een cliënt ontvangt die om hulp vraagt bij het volgende probleem:

Je cliënt heeft een gezamenlijk eigendom van een woning met een broer of ex-partner met wie hij een gecompliceerde emotionele relatie heeft. Op een gegeven moment woont een van hen – uw cliënt bijvoorbeeld – in de woning en plotseling wil de mede-eigenaar ook toegang. Uw cliënt weigert dit. Natuurlijk kan het omgekeerde ook gebeuren dat uw cliënt toegang tot zijn gezamenlijk eigendom wil dat op dat moment bewoond wordt door de mede-eigenaar.

Kan degene die het huis bewoont de mede-eigenaar de toegang weigeren? Is dit legaal en legitiem? Kan daarnaast de persoon die toegang probeert te verkrijgen en daarin slaagt, worden beschuldigd van huisvredebreuk?

Laten we dit stapsgewijs bekijken:

HUISVREDEBREUK

Concept

Huisvredebreuk is in Spanje vastgelegd in artikel 202 van het Wetboek van Strafrecht, dat een misdaad als deze definieert als het binnendringen of verblijven in een woning zonder toestemming en tegen de wil van de bewoner.

De letterlijke tekst is als volgt:

 1. Degene die, zonder er te wonen, de woning van een ander binnendringt of daarin verblijft zonder toestemming en tegen de wil van de gebruiker zal worden gestraft met een       gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar.
 2. Indien de handeling zich voltrekt met geweld of intimidatie zal de opgelegde gevangenisstraf een tot vier jaar zijn plus een straf van zes tot twaalf maanden.

Met andere woorden, er zijn twee gedragingen die een overtreding kunnen vormen inzake huisvredebreuk, (verergering van gedrag wanneer geweld en intimidatie plaatsvinden overeenkomstig paragraaf 2 van artikel 202):

• Het binnentreden in andermans woning zonder toestemming en tegen de wil van de bewoner.
• Verblijf in de woning tegen de wil van de bewoner.

 

DEFINITIE VAN “WONING”

Een ander concept waarbij men moet stilstaan is wat er wordt verstaan onder “woning”.

Volgens de ‘Real Academia Española’ (Spaanse Koninklijke Academie, verantwoordelijk voor taalregulatie) wordt een woning gedefinieerd als “afgesloten ruimte afgescheiden van de buitenwereld waarin het privé-leven zich afspeelt, bestemd om in te overnachten en voor huidig gebruik, hoewel niet noodzakelijk permanent”. Met andere woorden, het is de plaats waar de persoon verblijft (niet per se met regelmaat) en waarin zijn privé-leven zich ontwikkelt.

Hoewel dit concept eerder praktisch dan juridisch is, geeft het Constitutionele Hof ons een concreter begrip door erop te wijzen dat het “de ruimte is waarin het individu vrij is van sociale gebruiken en sociale conventies en waarin hij zijn meest intieme vrijheid bezigt”.

Wat er werkelijk volgens de doctrine (en volgens mij) wordt beschermd, is niet zozeer de onschendbaarheid van de woning, als wel de privacy van de bewoner.

Het misdrijf huisvredebreuk is louter een handeling. Dat wil zeggen, de pleger hoeft de privacy van de eigenaar niet te schenden, het is al voldoende wanneer hij het huis binnen is gegaan of, als hij binnen is, de woning weigert te verlaten wanneer dat nodig is.

We moeten ook benadrukken het bij het plegen van deze overtreding een vereiste is dat degene die de misdaad begaat, niet in de woning verblijft (hetzij gewoonlijk, hetzij sporadisch). Dat wil zeggen, en in beginsel, dat de eigenaar van het adres geen huisvredebreuk kan plegen (hoewel de mede-eigenaar een ander geval is, we zullen bekijken wat er met hem gebeurt). Deze bijzonderheid lijkt evident, maar in de zaak die ik aan het begin aan de orde stelde is dat het niet.
Er zijn twee situaties waarin de volgende vraag relevant kan zijn:

I.- Wat gebeurt er in gevallen waarin een bewoner (ook al is het indirect) de woning niet met anderen wil delen? Omdat de woning onschendbaar is, kan een van de bewoners een andere bewoner niet uitzetten. Er zijn echter situaties waarin het noodzakelijk kan zijn iemand te beletten binnen te komen. Een hedendaags, zeer politiek correct voorbeeld is dat van gender gerelateerd geweld. In dit geval kan de situatie van het slachtoffer vereisen dat de verdachte of aanvaller uit de buurt van de gezinswoning moet blijven. Voor deze situaties biedt het rechtssysteem bepaalde oplossingen, zoals straatverboden.

II.- Maar wat gebeurt er in gevallen waarin een bewoner niet wil dat een bepaald persoon toegang krijgt tot de woning, maar een andere wel? Het geval waarin bijvoorbeeld twee mede-eigenaren bespreken of een vriend in de gemeenschappelijke woning mag blijven wonen.
In dergelijke situaties moet de onschendbaarheid van de woonplek ertoe leiden dat het belang van de bewoner die de “bezoeker” buiten de woning wil houden prevaleert. Bijvoorbeeld wanneer in een door twee personen gedeeld appartement, een van de bewoners een vriend uitnodigt om het weekend er door te brengen. Als de “vriend” na een maand in het huis blijft wonen en de tweede bewoner, die het beu is om met hem samen te wonen, van hem verlangt dat hij het huis verlaat, kan het familielid zich schuldig maken aan huisvredebreuk wanneer hij weigert hieraan te voldoen.

De vraag die we onszelf op dit punt stellen (epicentrum van dit artikel) is: als een bewoner het huis tijdelijk bezet, kan hij dan de mede-eigenaar de toegang ontzeggen terwijl de mede-eigenaar daar woont? Laten we vanaf hier zorgvuldig onderzoek doen naar de rechten van eigenaren.

 

RECHTEN VAN DE EIGENAREN

De volgende stap die we moeten zetten, in tegenstelling tot het recht op een plek (woning) waarin gebruik wordt gemaakt van de meest intieme vrijheid van het individu, is ons wenden tot het Spaans Burgerlijk Wetboek om te onderzoeken welke rechten de mede-eigenaar van een onroerend goed heeft.

De rechten van de leden van de gemeenschap op het gemeenschappelijk goed zijn geregeld in artikel 394 en SS van het Burgerlijk Wetboek, dat bepaalt dat

“elke deelnemer gebruik mag maken van de gemeenschappelijke zaken, op voorwaarde dat deze overeenkomstig hun bestemming gebruikt worden op een manier die de belangen van de gemeenschap niet schaadt, noch medegebruikers belet ze te gebruiken volgens hun recht”.

Daarom mag iedere mede-eigenaar – de grenzen altijd in acht nemende – zich dienen van en optimaal gebruik maken van de gemeenschappelijke zaak, ongeacht het onverdeelde deel dat hem toekomt.

Dit solidair gebruik kan niet gezien worden als absolute manier noch voor alle zaken, maar zal gelden zolang de aard van de zaak dit toelaat (ondeelbaar of niet) en zal afhankelijk zijn van de persoonlijke- en materiële omstandigheden van de zaak.

De Hoge Raad licht toe dat het gebruik van het eigendom door slechts één van de deelnemers van het gemeenschappelijk erfgoed, met uitzondering van het plezier of het gebruik door anderen, onwettig is en resulteert in uitzetting vanwege kraak – SSTS van 16 september 2010, 29 juli 2013, onder andere-

Echter, met betrekking tot het gebruik van de woning en wanneer persoonlijke omstandigheden gelijktijdig gebruik door alle mede-eigenaren verhinderen of ontmoedigen, heeft de Hoge Raad in een arrest van 19 februari 2016, Rec. 676/2015, de doctrine vastgelegd een eerlijke manier te overwegen van om en om gebruik, concreet wordt gesteld: “de toepassing van om beurten exclusief gebruik voor opeenvolgende en terugkerende periodes zal worden beschouwd als een eerlijke manier die van toepassing is op gevallen van bewoners van woningen wanneer solidair of gedeeld gebruik niet mogelijk of raadzaam is of wanneer de gemeenschap of een bewoner hierop aandringt”.

In ieder geval, als een lid van de gemeenschap van mening is dat het exclusief gebruik van het onroerend goed door een ander lid van de gemeenschap zijn gebruiksrecht schendt, moet hij op betrouwbare wijze het gebruik ervan opeisen, of anders betaling van huur voor exclusief gebruik vragen, met ingang van dit moment ontstaat de verplichting tot vergoeding aan de mede-eigenaar die er niet over beschikt. Indien een dergelijke verplichting niet bestaat, wordt het exclusieve gebruik door de andere mede-eigenaar beschouwd als ‘getolereerd’ of ‘toegestaan’ en wordt hem zijn recht op compensatie ontnomen.

Een andere kwestie is dat de niet-inwonende bewoner de privacy van zijn mede-eigenaar (die zelf in de woning woont, al is dit tijdelijk) kan schenden omdat hij eigenaar is van een onverdeeld deel van het onroerend goed. Met andere woorden, het recht op privacy zal tegenover het eigendomsrecht moeten worden gesteld.

 

CONCLUSIES

Eenmaal het bovenstaande te hebben bestudeerd, keren we terug naar het beginpunt van dit artikel, namelijk:

Onze cliënt is eigenaar van een gezamenlijke woning met een broer of ex-partner met wie hij een gecompliceerde emotionele relatie heeft. Op een gegeven moment woont een van hen – uw cliënt – tijdelijk in de woning en de ander wil ook toegang, omdat de woning ook van hem is. Echter, uw cliënt weigert hem de toegang. Of misschien is het uw cliënt die toegang wil tot zijn gezamenlijk eigendom dat op dat moment bewoond wordt door de andere bewoner.

Kan de ‘gewone’ bewoner de mede-eigenaar de toegang ontzeggen? Naar mijn mening wel. Aangezien huisvredebreuk beoogt de privacy van de bewoner te beschermen, is het uw recht om hem de toegang te weigeren.

Is het legaal en legitiem? Naar mijn mening wel. Het recht op privacy in uw woning, ongeacht wie de eigenaar is, prevaleert boven privébezit. Dit recht wordt onderschreven door de doctrine van het Hooggerechtshof, die aangeeft dat het toepassen van om beurten exclusief gebruik voor opeenvolgende en terugkerende periodes zal worden beschouwd als een eerlijke manier die van toepassing is op leden van woningen wanneer solidair of gedeeld gebruik niet mogelijk of raadzaam is, of wanneer de gemeenschap of een bewoner hierop aandringt. En als ik nog een stap verder ga, beschouw ik het als uitbreidbaar naar de tijdelijke bewoning van het huis. Omdat, ik benadruk, de privacy van de bewoner prevaleert, niet het recht van de eigenaar om naar binnen te gaan.

Tot slot, als de persoon die toegang probeert te verkrijgen tot het huis zijn doel bereikt, kan hij dan worden aangeklaagd wegens huisvredebreuk? Naar mijn mening wel, natuurlijk versterkt wanneer dit met geweld en intimidatie gebeurt.

 

EEN LAATSTE KWESTIE. VERPLICHTINGEN VAN DE POLITIE AANGAANDE DE KLACHT VAN EEN FEIT ZOALS BESCHREVEN.

Door te begrijpen dat de beschreven situatie niet eenvoudig te verhelderen is, kan het gebeuren dat wanneer men naar de politie gaat om huisvredebreuk door een gemeenschapslid te melden voor een ander, dit verwarring kan veroorzaken en in het slechtste geval nalatigheid door de politie. Zodanig dat we om dit onderwerp af te sluiten ons moeten wenden tot het Wetboek van Strafvordering.

Ik bedoel:

De politie is verplicht deze klacht in behandeling te nemen. Haar verplichtingen zijn bij wet geregeld in boek II, titel III van de LECr ‘Van de gerechtelijke politie’, specifiek zoals aangegeven in art. 295 van de LECr., die ik hieronder beschrijf:

In geen geval mogen de gerechtelijke politieagenten meer dan 24 uur laten verstrijken zonder de gerechtelijke autoriteit of het Openbaar Ministerie in kennis te stellen van de procedure die zij hebben gebruikt, behalve in het geval van overmacht en in de bepalingen van paragraaf 2 van artikel 284*”.

Degenen die deze bepaling overtreden, zullen worden bestraft met een boete van 250 tot 1000 peseta’s, als het nalaten niet de kwalificatie van een misdaad toekomt en tegelijkertijd zal deze overtreding de eerste keer als een ernstig misdrijf worden beschouwd en als zeer ernstig misdrijf in het vervolg.

Degenen die, zonder de 24 uurs tijdsbepaling te overschrijden, meer dan nodig vertragen in het verstrekken van informatie, zullen worden gestraft met een boete van 100 tot 350 peseta’s, daarnaast zal deze overtreding gevolg hebben voor het persoonlijk dossier van de belanghebbende, de eerste keer licht, de volgende twee keren ernstig en zeer ernstig de rest.

*Opmerking: dit artikel verwijst naar een geval waarbij geen auteur bekend is, waarvan de politie het proces-verbaal moet bewaren totdat het auteurschap bekend is, maar dat is niet het geval in dit artikel.

Kortom, en uiteindelijk, de enige bevoegde autoriteit die beslist of een feit al dan niet strafbaar is, is de rechter, de politie heeft de plicht het proces in gang te zetten en de zaak in handen van de rechter te leggen, zodat deze over deze verre van makkelijke juridische kwestie kan beslissen.

 

María Dolores García Santos

(Vertaling uit het Spaans: F.A. Constandse)